ECLI:NL:HR:2023:226

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
21/01873
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en cassatie bij medeplegen van cocaïnevervoer wegens onvoldoende motivering

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van het vervoeren van cocaïne in een rugzak in een auto. De rechtbank sprak verdachte vrij, waarna het gerechtshof Den Haag op 21 april 2021 het hoger beroep behandelde. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte opzettelijk medepleegde bij het vervoeren van cocaïne.

Verdediging klaagde in cassatie dat het hof niet specifiek had gereageerd op uitdrukkelijk onderbouwde vrijspraakstandpunten, zoals dat de rugzak toebehoorde aan een medeverdachte en dat de cocaïne zich niet in de machtssfeer van verdachte bevond. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten feitelijk ongegrond waren omdat het hof voldoende had gemotiveerd waarom het van deze standpunten afweek.

Daarnaast stelde verdachte dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat werden ingediend. De Hoge Raad erkende deze overschrijding, maar vond dat dit geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het hofarrest, met dien verstande dat de termijnoverschrijding werd erkend zonder gevolgen voor de straf.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van medeplegen van cocaïnevervoer met een gevangenisstraf van twee maanden, ondanks erkenning van termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01873
Datum14 februari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 april 2021, nummer 22-002240-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die strekken tot vrijspraak, althans dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 14.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 februari 2023.