Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 februari 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van het vervoeren van cocaïne in een rugzak in een auto. De rechtbank sprak verdachte vrij, waarna het gerechtshof Den Haag op 21 april 2021 het hoger beroep behandelde. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte opzettelijk medepleegde bij het vervoeren van cocaïne.
Verdediging klaagde in cassatie dat het hof niet specifiek had gereageerd op uitdrukkelijk onderbouwde vrijspraakstandpunten, zoals dat de rugzak toebehoorde aan een medeverdachte en dat de cocaïne zich niet in de machtssfeer van verdachte bevond. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten feitelijk ongegrond waren omdat het hof voldoende had gemotiveerd waarom het van deze standpunten afweek.
Daarnaast stelde verdachte dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat werden ingediend. De Hoge Raad erkende deze overschrijding, maar vond dat dit geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het hofarrest, met dien verstande dat de termijnoverschrijding werd erkend zonder gevolgen voor de straf.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van medeplegen van cocaïnevervoer met een gevangenisstraf van twee maanden, ondanks erkenning van termijnoverschrijding.