Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
21 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) in een vervolging wegens het beschikbaar stellen van valse facturen aan de Belastingdienst, met als doel te weinig belasting te laten heffen.
De verdachte werd vervolgd ondanks dat het fiscale nadeel ongeveer €8.400 bedroeg, wat lager is dan het drempelbedrag van €20.000 genoemd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). De verdediging stelde dat het OM niet ontvankelijk was omdat het beleid van de Belastingdienst en het Protocol AAFD een strafrechtelijke vervolging bij een dergelijk nadeelbedrag uitsluiten.
De Hoge Raad bevestigde dat het Protocol AAFD en het BBBB samen de afstemming tussen Belastingdienst en OM regelen, waarbij het Protocol AAFD bepaalt wanneer strafrechtelijke afdoening mogelijk is, inclusief aanvullende wegingscriteria zoals de thematische aanpak. Het hof had geoordeeld dat de zaak zich leent voor strafrechtelijke afdoening onder deze thematische aanpak en dat het drempelbedrag in het BBBB niet bindend is voor de ontvankelijkheid van het OM.
De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en geen onjuiste rechtsopvatting. Het beroep van de verdachte werd verworpen en het OM bleef ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging ondanks het fiscale nadeel onder het drempelbedrag van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.