Uitspraak
zetelende te Zoetermeer,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de Gemeente Zoetermeer en een opstalhouder over de toestemming voor overdracht van een recht van opstal op een bedrijfspand. De Gemeente weigerde toestemming voor overdracht en hypotheekvesting vanwege zorgen over de persoon van de beoogde verkrijger, mede gebaseerd op intrekkingen van drank- en horecavergunningen op grond van de Wet Bibob en signalen van criminele activiteiten.
De opstalhouder verzocht de rechter om vervangende machtiging tot overdracht. De kantonrechter wees dit af, maar het hof verleende deze machtiging. De Gemeente stelde dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met de door haar aangevoerde feiten, waaronder de relatie van de beoogde verkrijger met criminele activiteiten en het onlogische verband tussen de koopprijs en de resterende looptijd van het opstalrecht.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en onvoldoende was ingegaan op de stellingen van de Gemeente over de intrekking van vergunningen en de mogelijke rol van de beoogde verkrijger als stroman. Ook had het hof onvoldoende aandacht besteed aan het belang van de koopprijs en de integriteit van de Gemeente. Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
De Hoge Raad benadrukte dat de weigering van toestemming door een gemeente als grondeigenaar mede moet worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat de motivering van het oordeel over redelijke gronden voor weigering zorgvuldig moet zijn. De Gemeente kreeg tevens de kosten van het cassatieproces toegewezen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak wegens ontoereikende motivering en verwijst zaak terug naar gerechtshof Amsterdam.