ECLI:NL:HR:2023:272

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 februari 2023
Publicatiedatum
22 februari 2023
Zaaknummer
21/02537
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 69 lid 4 AWRArt. 301 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak valsheid in geschrift en valse aangiften inkomstenbelasting

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het meermalen opmaken van valse aangiften inkomstenbelasting en het opmaken van een valse brief gericht aan de Belastingdienst, in strijd met artikel 225 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte eerder veroordeeld en het Openbaar Ministerie was ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De verdachte stelde in cassatie diverse klachten aan de orde, waaronder een motiveringsklacht over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, de vraag of de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen zich uitstrekt tot vervolging op grond van artikel 225 lid 1 Sr Pro, en klachten over de bewijsvoering en de wijze van voorlezing van bewijsmiddelen.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij was het niet noodzakelijk om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het cassatieberoep is daarom verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers op 21 februari 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor valsheid in geschrift en valse aangiften inkomstenbelasting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02537
Datum21 februari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 juni 2021, nummer 23-002394-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te 's‑Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 februari 2023.