ECLI:NL:HR:2023:349

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
7 maart 2023
Zaaknummer
21/01108
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Wetboek van StrafvorderingArt. 511h Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep in cassatie wegens niet-indienen middelen

Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep zijn er geen cassatiemiddelen ingediend door de advocaat van betrokkene binnen de wettelijke termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat de wettelijke verplichting tot het indienen van cassatiemiddelen niet is nagekomen, waardoor het beroep niet in behandeling kan worden genomen. Dit volgt uit artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.

Op 7 maart 2023 heeft de Hoge Raad het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01108 P
Datum7 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2021, nummer 23-001328-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de betrokkene een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de betrokkene niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 maart 2023.