Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
28 maart 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag door meerdere messteken in het gezicht en lichaam van het slachtoffer.
De verdachte stelde cassatiemiddelen in tegen het oordeel van het hof, waaronder klachten over de bewijswaardering en de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en vermindering daarvan, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de bewijsgerelateerde klachten niet tot vernietiging konden leiden en dat het hof terecht had geoordeeld over de aard van de verwondingen en het gebruik van het mes. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat waren ingezonden en het cassatieberoep meer dan zestien maanden duurde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Dit leidde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en vermindering van de gevangenisstraf van vier jaar naar drie jaar en tien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vier jaar naar drie jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.