Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
4.Beslissing
17 maart 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de bevoegdheid van een rechthebbende onder beschermingsbewind om zelfstandig hoger beroep in te stellen tegen een machtiging voor de verkoop van zijn woning. De kantonrechter had de bewindvoerder toestemming gegeven om de woning te verkopen aan een kind van de rechthebbende. De rechthebbende stelde hiertegen hoger beroep in, dat door het hof werd bekrachtigd. De bewindvoerder stelde dat de rechthebbende niet ontvankelijk was omdat hij geen toestemming had van de bewindvoerder.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechthebbende als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro moet worden aangemerkt en derhalve zelfstandig hoger beroep kan instellen zonder toestemming van de bewindvoerder. Dit volgt uit de aard van de procedure en het feit dat de rechthebbende het handelen van de bewindvoerder wil aanvechten. Tevens is het in strijd met art. 6 EVRM Pro als de rechthebbende geen toegang tot de rechter zou hebben, zeker omdat hij in eerste aanleg niet is gehoord.
De Hoge Raad benadrukt dat het bewind niet de procesbevoegdheid van de rechthebbende aantast, tenzij dit uitdrukkelijk uit de wet volgt. De procedure betreffende de machtiging tot verkoop is geen zaak van onderbewindstelling in de zin van art. 798 lid 2 Rv Pro die de procesbevoegdheid zou beperken. Het cassatieberoep en het incidentele beroep worden verworpen, waarmee het oordeel van het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de rechthebbende zelfstandig hoger beroep kan instellen zonder toestemming van de bewindvoerder en verwerpt het cassatieberoep.