ECLI:NL:HR:2023:432

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
20 maart 2023
Zaaknummer
21/04788
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 358 lid 3 SvArt. 6.2 WaterwetArt. 6.2.1 WaterwetArt. 6.2.1.b Waterwet
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak verontreiniging oppervlaktewater door percolaat

In deze zaak ging het om de verontreiniging van oppervlaktewater door het uitstromen van percolaat uit een voorraadberg granuliet op het terrein van de verdachte vennootschap. Dit gebeurde mede door regenval en het graven van een drainagegeul richting het oppervlaktewater. De verdachte stelde onder meer dat sprake was van afvloeiend hemelwater en geen visuele verontreiniging, en dat het hof ten onrechte geen vrijstellingen had vastgesteld volgens de Waterwet.

Het gerechtshof Amsterdam had geoordeeld dat sprake was van een overtreding van het lozingsverbod uit de Waterwet. De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof niet op alle kwalificatieverweren had beslist, de verweren onjuist had geciteerd en geïnterpreteerd, en dat de overtreding niet aan de rechtspersoon kon worden toegerekend omdat een kraanmachinist op eigen houtje handelde.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond geen aanleiding om in te gaan op de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht en heeft het cassatieberoep verworpen.

Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Buruma en Röttgering, en uitgesproken op 21 maart 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Amsterdam.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04788 E
Datum21 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 11 november 2021, nummer 23-000638-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.H. Gaastra, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 maart 2023.