Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
21 maart 2023.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de verontreiniging van oppervlaktewater door het uitstromen van percolaat uit een voorraadberg granuliet op het terrein van de verdachte vennootschap. Dit gebeurde mede door regenval en het graven van een drainagegeul richting het oppervlaktewater. De verdachte stelde onder meer dat sprake was van afvloeiend hemelwater en geen visuele verontreiniging, en dat het hof ten onrechte geen vrijstellingen had vastgesteld volgens de Waterwet.
Het gerechtshof Amsterdam had geoordeeld dat sprake was van een overtreding van het lozingsverbod uit de Waterwet. De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof niet op alle kwalificatieverweren had beslist, de verweren onjuist had geciteerd en geïnterpreteerd, en dat de overtreding niet aan de rechtspersoon kon worden toegerekend omdat een kraanmachinist op eigen houtje handelde.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond geen aanleiding om in te gaan op de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht en heeft het cassatieberoep verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Buruma en Röttgering, en uitgesproken op 21 maart 2023.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Amsterdam.