Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
4 april 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van diefstal van schapen, witwassen, bezit van vuurwapen en hennepteelt. De verdediging stelde dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden, maar het hof had hier niet gemotiveerd op beslist.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten beslissen over dit beroep op overschrijding van de redelijke termijn. Omdat dit ontbrak, werd het middel gegrond verklaard. De Hoge Raad nam aan dat de redelijke termijn in eerste aanleg en cassatie was overschreden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigt.
De opgelegde gevangenisstraf van 19 maanden werd daarom met één maand verminderd tot 18 maanden. De overige klachten van verdachte en benadeelden werden verworpen zonder nadere motivering. Hiermee is de zaak definitief afgedaan.
De uitspraak benadrukt het belang van een gemotiveerde beslissing over overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt dat een dergelijke overschrijding kan leiden tot strafvermindering.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 19 naar 18 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.