ECLI:NL:HR:2023:466

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
24 maart 2023
Zaaknummer
21/00345
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 lid 1 SrArt. 420bis lid 1 sub a SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 361 lid 3 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen diefstal en witwassen schapen

De Hoge Raad heeft op 4 april 2023 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2020, betreffende een zaak van medeplegen diefstal van schapen en medeplegen witwassen van schapen. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad heeft de overige klachten van het cassatieberoep verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de straf tot veertien maanden en één week gevangenisstraf.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor de strafmaat en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd het cassatieberoep deels gegrond verklaard en werd de opgelegde straf verminderd.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot veertien maanden en één week wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00345
Datum4 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2020, nummer 21-001383-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben M. Kuipers, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, en T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partijen [aangever 3], [betrokkene 4], [aangever 1], [aangever 8], Mts. [B], en Mts. [C] B.V. heeft M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij gelijkluidende schrifturen een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur van de benadeelde partij [aangever 3] is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden en één week beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 april 2023.