ECLI:NL:HR:2023:470

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
24 maart 2023
Zaaknummer
21/04247
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 94 SvArt. 425 lid 2 SrArt. 552a SvArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslag op hond in strafzaak bijtincident

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarbij beslag is gelegd op een Amerikaanse Staffordshire Bullterriër. Dit beslag is gelegd in het kader van een strafzaak tegen de dochter van klaagster wegens een vermeende overtreding van artikel 425 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht, naar aanleiding van een bijtincident waarbij een 6-jarig kind in het achterhoofd is gebeten.

De strafzaak tegen de dochter is geseponeerd, maar het beslag op de hond bleef gehandhaafd. Klaagster maakte bezwaar tegen het beslag, maar de rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van klaagster beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

De Hoge Raad stelt dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat op de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van de hond zal worden bevolen. Daarom kan de rechtbank oordelen dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag op de hond vordert. De Hoge Raad verwerpt het beroep en hoeft geen nadere motivering te geven omdat de zaak geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevat.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de hond blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04247 B
Datum18 april 2023
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2021, nummer RK 21/1551, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 april 2023.