Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 april 2023.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarbij beslag is gelegd op een Amerikaanse Staffordshire Bullterriër. Dit beslag is gelegd in het kader van een strafzaak tegen de dochter van klaagster wegens een vermeende overtreding van artikel 425 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht, naar aanleiding van een bijtincident waarbij een 6-jarig kind in het achterhoofd is gebeten.
De strafzaak tegen de dochter is geseponeerd, maar het beslag op de hond bleef gehandhaafd. Klaagster maakte bezwaar tegen het beslag, maar de rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van klaagster beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad stelt dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat op de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van de hond zal worden bevolen. Daarom kan de rechtbank oordelen dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag op de hond vordert. De Hoge Raad verwerpt het beroep en hoeft geen nadere motivering te geven omdat de zaak geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevat.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de hond blijft gehandhaafd.