Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
4 april 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de aanwezigheid van een drugslab en cocaïne in een woning centraal, waarbij de verdachte als bewoner/huurder werd verdacht van het aanwezig hebben van cocaïne en voorbereidingshandelingen voor het bewerken ervan. De rechtbank sprak de verdachte vrij, maar het hof veroordeelde hem. De Hoge Raad toetste het bewijs en oordeelde dat de feitenrechter vrij is in de waardering van bewijsmateriaal, waarbij motivering niet altijd vereist is.
Het hof verwierp een alternatief scenario dat een familielid de goederen in de woning had gebracht als ongeloofwaardig, waardoor het hof concludeerde dat de verdachte de cocaïne en gerelateerde goederen aanwezig had. De Hoge Raad vond deze bewijsconstructie begrijpelijk en verwierp het cassatiemiddel dat de bewezenverklaring betwistte.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door late aanlevering van stukken door het hof, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden naar acht maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige, waarmee de bewezenverklaring in stand bleef maar de straf werd gematigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling maar vermindert de gevangenisstraf tot acht maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk.