ECLI:NL:HR:2023:498

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
30 maart 2023
Zaaknummer
18/02441
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 10a.1.3 OpiumwetArt. 10.4 OpiumwetArt. 2.B OpiumwetArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf in drugslabzaak ondanks bewezenverklaring

In deze strafzaak stond de aanwezigheid van een drugslab en cocaïne in een woning centraal, waarbij de verdachte als bewoner/huurder werd verdacht van het aanwezig hebben van cocaïne en voorbereidingshandelingen voor het bewerken ervan. De rechtbank sprak de verdachte vrij, maar het hof veroordeelde hem. De Hoge Raad toetste het bewijs en oordeelde dat de feitenrechter vrij is in de waardering van bewijsmateriaal, waarbij motivering niet altijd vereist is.

Het hof verwierp een alternatief scenario dat een familielid de goederen in de woning had gebracht als ongeloofwaardig, waardoor het hof concludeerde dat de verdachte de cocaïne en gerelateerde goederen aanwezig had. De Hoge Raad vond deze bewijsconstructie begrijpelijk en verwierp het cassatiemiddel dat de bewezenverklaring betwistte.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door late aanlevering van stukken door het hof, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden naar acht maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige, waarmee de bewezenverklaring in stand bleef maar de straf werd gematigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling maar vermindert de gevangenisstraf tot acht maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02441
Datum4 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 april 2018, nummer 23/002907-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde straf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn.
2.3
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 11.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 april 2023.