ECLI:NL:HR:2023:517

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2023
Publicatiedatum
30 maart 2023
Zaaknummer
21/04767
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:759 lid 1 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verplichting opdrachtgever tot herstel gebreken bij koop-aannemingsovereenkomst jacht

In deze zaak stond de vraag centraal of de opdrachtgever bij een koop-aannemingsovereenkomst met betrekking tot een jacht verplicht kan worden om de werf in de gelegenheid te stellen gebreken te herstellen. De opdrachtgever had tegen eerdere uitspraken van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld. Het hof had de vorderingen van de opdrachtgever afgewezen.

De Hoge Raad heeft de klachten van de opdrachtgever over de arresten van het hof beoordeeld. Gezien het karakter van de klachten en het belang van de zaak achtte de Hoge Raad het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de vragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en de opdrachtgever veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat de opdrachtgever niet verplicht is om de werf gelegenheid te geven tot herstel van gebreken.

De uitspraak is gewezen door de vicepresident en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 31 maart 2023.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de opdrachtgever wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/04767
Datum31 maart 2023
ARREST
In de zaak van
[opdrachtgever],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [opdrachtgever],
advocaat: P.J. Tanja, aanvankelijk K. Teuben,
tegen
1. [de V.O.F.],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
4. [verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: M.E. Franke.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/531093 / HA ZA 17-435 van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2017 en 28 maart 2018;
b. de arresten in de zaak 200.242.375/01 van het gerechtshof Den Haag van 31 maart 2020 en 17 augustus 2021.
[opdrachtgever] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [opdrachtgever] mede door M.W. Bakker.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [opdrachtgever] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [opdrachtgever] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 7.015,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
31 maart 2023.