ECLI:NL:HR:2023:559

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2023
Publicatiedatum
13 april 2023
Zaaknummer
22/02862
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 6 BWArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep over uitzondering opzegverbod tijdens ziekte

De zaak betreft een cassatieberoep van een werkneemster tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag inzake de toepassing van de uitzondering op het opzegverbod tijdens ziekte zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 6 onder a van het Burgerlijk Wetboek.

De werkneemster was in hoger beroep gegaan tegen een eerdere beschikking van de kantonrechter Rotterdam, maar het hof heeft haar beroep verworpen. De Hoge Raad heeft vervolgens het cassatieberoep van de werkneemster beoordeeld en geoordeeld dat de klachten onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen zonder inhoudelijke motivering, omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De werkneemster is veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, begroot op € 857 aan verschotten en € 1.800 aan salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan.

De beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en raadsheren C.H. Sieburgh en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer F.J.P. Lock.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de werkneemster wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/02862
Datum14 april 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[werkneemster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de werkneemster,
advocaat: M.J. van Basten Batenburg,
tegen
ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM,
kantoorhoudende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de werkgever,
advocaat: S.F. Sagel.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 9096001 VZ VERZ 21-3881 van de kantonrechter te Rotterdam van 6 juli 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.300.895/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 mei 2022.
De werkneemster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De werkgever heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [werkneemster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Erasmus MC begroot op € 857,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [werkneemster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
14 april 2023.