Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 april 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een werkneemster tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag inzake de toepassing van de uitzondering op het opzegverbod tijdens ziekte zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 6 onder a van het Burgerlijk Wetboek.
De werkneemster was in hoger beroep gegaan tegen een eerdere beschikking van de kantonrechter Rotterdam, maar het hof heeft haar beroep verworpen. De Hoge Raad heeft vervolgens het cassatieberoep van de werkneemster beoordeeld en geoordeeld dat de klachten onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen zonder inhoudelijke motivering, omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De werkneemster is veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, begroot op € 857 aan verschotten en € 1.800 aan salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan.
De beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en raadsheren C.H. Sieburgh en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer F.J.P. Lock.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werkneemster wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.