Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 april 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 september 2021, waarin hij werd veroordeeld voor rijden onder invloed van amfetamine. Centraal stond de vraag of de bloedmonsters van verdachte tijdig en volgens de strikte waarborgen van artikel 13.1.d van het oude Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aan het laboratorium waren toegezonden. Het hof had vastgesteld dat een nieuwe werkwijze van de politie voor het bewaren en verzenden van bloedmonsters was gehanteerd, waarbij de monsters pas tien dagen na bloedafname door het laboratorium in Duitsland werden ontvangen.
De verdachte stelde dat hierdoor niet aan de vereisten van het besluit was voldaan, hetgeen tot vernietiging van het arrest zou moeten leiden. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte derhalve verworpen en bevestigt daarmee het oordeel van het hof. Het arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 18 april 2023.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.