ECLI:NL:HR:2023:621

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
17 april 2023
Zaaknummer
21/02787
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Peek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.B OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 10.4 OpiumwetArt. 437 lid 2 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in cocaïnehandelzaak wegens ontbreken cassatiemiddelen

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over cocaïnehandel en medeplegen van voorbereidingshandelingen daarvan. De verdachte heeft het beroep ingesteld, maar heeft geen cassatiemiddelen ingediend. De advocaat-generaal concludeerde daarom dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Hoge Raad toetst de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat de wettelijke termijn voor het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd. Hierdoor kan het beroep niet inhoudelijk worden behandeld. De Hoge Raad verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.

De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting. Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep van verdachte geen vervolg krijgt en het hofarrest ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02787
Datum18 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 juni 2021, nummer 23-003852-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 april 2023.