Partijen zijn in 1990 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en zijn in 2020 gescheiden. In 2012 kochten zij gezamenlijk een woning, waarbij de man 60% en de vrouw 40% eigenaar werd. Voorafgaand aan de levering heeft de vrouw €435.000 aan de man overgemaakt met de omschrijving 'lening'. Na verkoop van de woning in 2019 werd de opbrengst verdeeld in de verhouding 60%-40%.
De vrouw vorderde terugbetaling van het bedrag, stellende dat het een lening betrof. Rechtbank en hof wezen dit af, omdat het hof oordeelde dat de vrouw niet had bewezen dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet had verkregen en dat de betaling niet de titel had van lening maar van investering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw ook moest bewijzen dat zij het eigendomsaandeel om niet had verkregen. De man draagt de stelplicht en bewijslast voor zijn verweer dat de lening in een investering is omgezet. Tevens vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de vrouw niet onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen, omdat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde voor de aansprakelijkheid bij onterecht beslag.
De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, waarbij onder meer de stellingen over compensatie voor eerdere leningen en de verhouding van het bedrag tot het eigendomsaandeel betrokken moeten worden.