ECLI:NL:HR:2023:64
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag overdrachtsbelasting
In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting aan belanghebbende was opgelegd. Deze procedure volgt op een eerdere cassatiezaak waarin het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het Hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van de Staatssecretaris beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen inhoudelijke motivering gegeven, omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens is een griffierecht van € 548 geheven van de Staatssecretaris. Het arrest is op 20 januari 2023 in het openbaar uitgesproken door raadsheren Wortel, Cools en Van der Voort Maarschalk.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.