Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
23 mei 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het voorhanden hebben van valse betaalpassen en waardekaarten, waaronder tankpassen en een creditcard, die ontbloot waren van echtheidskenmerken. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte deze passen op 29 november 2011 in Hoofddorp voorhanden had, maar kwalificeerde dit ten onrechte als een overtreding van artikel 232 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De Hoge Raad stelde vast dat de bewezenverklaring niet het vereiste bestanddeel omvatte dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de passen bestemd waren voor gebruik als ware ze echt en onvervalst. Hierdoor was de kwalificatie door het hof onjuist. Het cassatiemiddel slaagde dan ook en leidde tot vernietiging van het arrest voor zover het betrekking had op het onder 2 tenlastegelegde feit.
De overige cassatiemiddelen werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet tot vernietiging konden leiden. De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het tenlastegelegde feit, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 23 mei 2023, waarbij tevens de waarnemend griffier aanwezig was.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onjuiste kwalificatie.