Uitspraak
1.Verder procesverloop in cassatie
(Zaakdossier 2)
(Zaakdossier 0 en uitvoering rechtshulpverzoeken 002 en 004)
- vervolgens met voornoemd voertuig
hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk
(Zaakdossier 0 en uitvoering rechtshulpverzoeken 002 en 004)
en/of
* in of omstreeks de periode van 8 november 2015 tot en met 10 november 2015 een hoeveelheid zoutzuur
(Zaakdossier 2)
en/of
* in of omstreeks de periode van 19 november 2015 tot en met 20 november 2015 een hoeveelheid van 20 vaatjes van in totaal 540 liter zoutzuur
(Zaakdossier 0 en uitvoering rechtshulpverzoeken 002 en 004)
en/of
* in of omstreeks de periode van 23 november 2015 tot en met 24 november 2015 een hoeveelheid zoutzuur
(Zaakdossier 3)
en/of
* op of omstreeks 27 november 2015 een hoeveelheid van 216 kilogram zoutzuur
(Zaakdossier 5)
en/of
(Zaakdossier 4)
en/of
De aan de verdachte ten laste gelegde schending van de meldplicht is toegesneden op art. 8 lid 1 van Pro de genoemde verordening. Deze bepaling luidt: ‘De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Daartoe verstrekken de marktdeelnemers alle beschikbare informatie aan de hand waarvan de bevoegde instanties de legitimiteit van de desbetreffende order of transactie kunnen verifiëren’. De in de tenlastelegging voorkomende termen, zoals ‘marktdeelnemers’ en ‘voorval’, moeten daarom worden geacht te zijn gebruikt in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in (artikel 8 lid 1 van Pro) de genoemde verordening.
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
Als aan een verdachte uitsluitend het niet voldoen aan de meldplicht als bedoeld in artikel 8 lid 1 Verordening Pro 273/2004 is tenlastegelegd, kan het bestanddeel “marktdeelnemer” niet worden bewezenverklaard als komt vast staan – gelet op wat daarover rechtstreeks uit de bewijsvoering volgt dan wel door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd – dat de verdachte in het kader van een illegale activiteit betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen.
Het hof heeft, zoals hiervoor onder 2.1.3 is weergegeven, de verdachte vrijgesproken van de in tenlastelegging onder 1 genoemde gedragingen met betrekking tot het transport in de periode van 17 augustus tot en met 19 augustus 2015 van de hiervoor genoemde hoeveelheden zwavelzuur en aceton. Met betrekking tot deze geregistreerde stoffen doet zich dus niet de situatie voor dat het bestanddeel “marktdeelnemer” niet kan worden bewezenverklaard omdat is vast komen te staan dat de verdachte in het kader van een illegale activiteit betrokken is bij het in de handel brengen van de betreffende geregistreerde stoffen. De genoemde vrijspraak berust er echter op dat naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs bestaat dat de verdachte in enigerlei vorm betrokken was bij het transport in de periode van 17 augustus tot en met 19 augustus 2015. Daaruit volgt tevens dat onvoldoende bewijs bestaat dat de verdachte betrokken was bij het in de tenlastelegging onder 2 bedoelde “voorval”, voor zover dat “voorval” betrekking heeft op datzelfde transport. Het hof heeft daarom de verdachte ook in zoverre terecht vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde overtreding van de meldplicht.
4.Beslissing
30 mei 2023.