Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 mei 2023.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een vordering van een samenwoner om de huurovereenkomst van een woning voort te zetten na het overlijden van de huurder, zijn vader. De samenwoner had zich in 2011 op het adres ingeschreven en verleende mantelzorg aan zijn ouders. Na het overlijden van zijn vader in 2019 vorderde hij voortzetting van de huur op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.
De kantonrechter wees de vordering af en veroordeelde tot ontruiming. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de samenwoner onvoldoende waarborg bood voor een behoorlijke nakoming van de huur en dat niet was gebleken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, mede omdat geen sprake was van financiële verwevenheid.
De Hoge Raad overweegt dat de stelplicht en bewijslast voor onvoldoende waarborg bij de verhuurder rusten, maar dat de samenwoner voldoende concrete gegevens moet aanleveren om de stelling van de verhuurder te betwisten. De samenwoner deed dit niet. Tevens is gezamenlijk voorzien in kosten van huisvesting of levensonderhoud geen vereiste voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, bevestigt het oordeel van het hof en bepaalt dat de ontruiming kan worden uitgevoerd na hernieuwde betekening binnen een maand.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen wegens onvoldoende waarborg en geen duurzame gemeenschappelijke huishouding; ontruiming binnen een maand na betekening is verplicht.