ECLI:NL:HR:2023:810

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
26 mei 2023
Zaaknummer
20/04447
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 48 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 416.2 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens niet-ontvankelijkheid in hoger beroep bij hennepteeltzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor hennepteelt. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep omdat geen afschrift van de dagvaarding was verzonden naar zijn raadsman, zoals vereist volgens artikel 48 Sv Pro.

De verdachte stelde dat het ontbreken van afschrift dagvaarding een schending van zijn rechten betekende, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad hoefde geen motivering te geven omdat de zaak geen belang had voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Hoewel de Hoge Raad erkende dat de redelijke termijn was overschreden, leidde dit niet tot vernietiging van het hofarrest. De niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep blijft daarom gehandhaafd en het vonnis van eerste aanleg is onherroepelijk geworden.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt hiermee de uitspraak van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 30 mei 2023.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis in eerste aanleg is onherroepelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/04447
Datum30 mei 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2020, nummer 21-000239-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
3.2
De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in het ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 mei 2023.