Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juni 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitleg van het begrip 'vakantie' in artikel 7:634 BW Pro centraal, met name de inzet van bovenwettelijke vakantie voor andere doeleinden en het recht op loon volgens artikelen 7:639 en 7:645 BW. Daarnaast speelde de uitleg van de cao NS en de vaststellingsovereenkomst een rol, evenals de vraag of daarvan mocht worden afgeweken ondanks het dwingend karakter van het recht.
De zaak betrof een geschil tussen NS Reizigers B.V. en een werknemer over de afdracht van pensioenpremies over de Compensatie Onregelmatigheid zoals bepaald in artikel 110 van Pro de cao. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties en nam kennis van de conclusie van de Advocaat-Generaal die vernietiging en afdoening bepleitte.
De Hoge Raad oordeelde dat de onderdelen 1-3 van het cassatiemiddel niet slaagden, maar dat onderdeel 4 wel gegrond was. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitsluitend voor zover NSR was veroordeeld tot nabetaling van pensioenpremies over de Compensatie Onregelmatigheid. Het beroep werd voor het overige verworpen. Tevens werd de werknemer veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Deze uitspraak verduidelijkt de uitleg van arbeidsrechtelijke bepalingen omtrent vakantie en pensioenpremie in het kader van cao-toepassing en bevestigt de grenzen van afwijking van dwingend recht en rechtsstrijd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover NS is veroordeeld tot nabetaling van pensioenpremies over de Compensatie Onregelmatigheid.