Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 juni 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een bedreiging gepleegd op 25 mei 2020 te 's-Gravenhage, waarbij verdachte dreigende woorden heeft geuit jegens het slachtoffer. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring mede op eigen waarneming van een filmfragment dat na sluiting van het onderzoek in raadkamer opnieuw werd bekeken en beluisterd met hoofdtelefoons.
De verdediging had tijdens het proces een voorwaardelijk verzoek gedaan om een deskundige te benoemen die de woorden in het filmfragment kon onderzoeken. Het hof wees dit verzoek af en gebruikte de eigen waarneming als bewijs. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze eigen waarneming niet als wettig bewijsmiddel kan dienen, omdat deze niet tijdens de terechtzitting is gedaan en de verdediging en het OM niet de gelegenheid hadden zich hierover uit te laten.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat eigen waarneming alleen als bewijs mag worden gebruikt indien deze tijdens de terechtzitting plaatsvindt of aan strikte voorwaarden voldoet. Omdat het hof deze voorwaarden niet heeft nageleefd, is het arrest vernietigd en is de zaak terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.