Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 juni 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot verlening van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor een periode van twaalf maanden. De rechtbank verleende aanvankelijk een machtiging voor twee maanden en stelde de verdere behandeling uit. Later werd de machtiging voor de resterende tien maanden toegekend.
Betrokkene stelde in cassatie onder meer dat het overleg van de rechter met andere rechters die Wvggz-zaken behandelen in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, omdat het aandeel van deze andere rechters in de besluitvorming niet transparant en wettelijk vastgesteld zou zijn. De Hoge Raad oordeelde dat dit overleg op zichzelf niet betekent dat andere rechters de zaak hebben behandeld of beslist, en dat dit geen schending van artikel 6 EVRM Pro oplevert.
De overige klachten van betrokkene faalden eveneens en de Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de zorgmachtiging voor de resterende duur van tien maanden in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gedeeltelijke verlening van de zorgmachtiging.