Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
20 juni 2023.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een gedemonteerd gaspistool, waarbij enkele essentiële onderdelen ontbraken, toch als een vuurwapen kan worden aangemerkt volgens artikel 1, lid 3 van de Wet wapens en munitie (WWM). De verdachte werd ervan verdacht een dergelijk vuurwapen voorhanden te hebben gehad.
De politie trof op 20 maart 2020 in een voertuig van de verdachte een zwarte schoudertas aan met daarin een gaspistool in losse onderdelen, waaronder de loop en kolf, maar zonder sluitveer, sluitveergeleidestang en demontagepal. Het hof oordeelde dat ondanks het ontbreken van deze onderdelen het voorwerp bestemd en geschikt was om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, en derhalve als vuurwapen kwalificeert. De verdediging voerde aan dat de geschiktheid en bestemming als vuurwapen ontbraken door de gedemonteerde staat en het ontbreken van onderdelen, maar het hof verwierp dit verweer.
De Hoge Raad bevestigde deze rechtsopvatting en stelde dat het ontbreken van onderdelen en de gedemonteerde staat niet uitsluiten dat het voorwerp een vuurwapen is. Het gaat immers om de bestemming en geschiktheid van het voorwerp om projectielen of stoffen af te schieten. Daarnaast werd geoordeeld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar dat dit geen gevolgen had voor de opgelegde geldboete van €750. Het beroep van de verdachte werd derhalve verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het gedemonteerde gaspistool ondanks ontbrekende onderdelen als vuurwapen geldt en wijst het cassatieberoep af.