Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 juni 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak is de verdachte bewezenverklaard voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht door een e-mail te sturen waarin hij dreigt een mes te nemen en de benadeelde partij en een medewerkster te doden. De benadeelde partij, een medewerkster van een ziekenhuis, vorderde immateriële schadevergoeding wegens de psychische impact van deze bedreiging.
Het hof kende een vergoeding van €325 toe op grond van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b BW, omdat het oordeelde dat sprake was van een aantasting in de persoon 'op andere wijze'. Het hof baseerde dit op de ernst van de bedreiging, de maatregelen die de benadeelde partij had genomen om zichzelf te beschermen en de grote impact die de bedreiging op haar had.
De Hoge Raad herhaalt de criteria uit eerdere arresten over wanneer sprake is van een dergelijke aantasting en oordeelt dat het hof onvoldoende concreet heeft vastgesteld waaruit de grote impact bestond. Ook blijkt uit het schadeformulier dat de benadeelde partij zich inmiddels weer redelijk veilig voelt. Daarom kan het oordeel van het hof dat sprake is van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' niet worden gedragen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat betrekking heeft op de immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het overige cassatieberoep wordt verworpen. Tevens constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar verbindt daaraan geen gevolgen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest over immateriële schadevergoeding wegens bedreiging en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.