Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.De behandeling van het klaagschrift en de beschikking van het hof
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Beslissing
27 juni 2023.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Op 13 april 2018 werd een geldzending van 19,5 miljoen euro vanuit Suriname naar Hong Kong in beslag genomen op Schiphol wegens verdenking van witwassen. Het beslag werd gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro. De klagers, waaronder drie buitenlandse handelsbanken en de centrale bank van Suriname als 'shipper', dienden een klaagschrift in tegen het beslag. Het hof Amsterdam verklaarde het klaagschrift gegrond en gelastte teruggave van het geld, omdat het hoogst onwaarschijnlijk werd geacht dat het geld verbeurd zou worden verklaard of aan het verkeer onttrokken.
Het hof baseerde zijn oordeel mede op het feit dat de interstatelijke samenwerking tussen Suriname en Nederland volledig tot stilstand was gekomen en dat Surinaamse autoriteiten niet meewerkten aan rechtshulpverzoeken. Tevens ontbrak concrete informatie over strafzaken tegen de handelsbanken. Het Openbaar Ministerie stelde echter dat de uitvoering van rechtshulp door Surinaamse autoriteiten geen noodzakelijke voorwaarde is voor het instellen van strafvervolging, gezien het reeds verkregen bewijs en het vermoeden van witwassen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het voortduren van het beslag niet noodzakelijk is, doordat het niet is ingegaan op het standpunt van het Openbaar Ministerie. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde behandeling en beslissing. Dit arrest volgt op eerdere jurisprudentie over het toepasselijke criterium bij beslag ex artikel 94 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.