Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
2 juli 2024.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatie in tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 april 2022 betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens verdachte werden cassatiemiddelen ingediend, maar de advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. De Hoge Raad motiveerde dit niet uitvoerig omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Een cassatiemiddel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege te late toezending van stukken door het hof. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, mede omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Desondanks leidde deze termijnoverschrijding niet tot vernietiging van het arrest. In een samenhangende strafzaak wordt beoordeeld of compensatie voor de termijnoverschrijding moet worden toegekend. De Hoge Raad volstaat in deze ontnemingszaak met de constatering van de overschrijding zonder verdere rechtsgevolgen.
Het beroep wordt derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.