Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
2 juli 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 31 kilogram hennep, zoals bedoeld in artikel 3.C van de Opiumwet.
De verdachte stelde cassatiemiddelen in, waarbij de advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en vermindering van de gevangenisstraf. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden, maar constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden vanwege late aanlevering van stukken door het hof en de lange duur van het cassatieproces.
Hierdoor werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van achttien maanden (waarvan zes maanden voorwaardelijk) naar zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.