Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
9 juli 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte wegens medeplegen van een nachtelijke woninginbraak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 september 2022.
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een schadevergoedingsmaatregel met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling, waarbij de gijzelingstermijn abusievelijk op 365 dagen werd vastgesteld. De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 36f lid 5 Sr en artikel 6:4:20 Sv Pro de maximale duur van gijzeling één jaar bedraagt, waarbij één jaar gelijkstaat aan 360 dagen. De gijzelingstermijn wordt daarom verminderd tot 360 dagen.
Daarnaast is in cassatie vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden door late aanlevering van stukken door het hof, hetgeen leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden (waarvan twee maanden voorwaardelijk) naar zeven maanden en drie weken, met behoud van de voorwaardelijke straf en proeftijd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam uitsluitend voor zover het de gijzelingstermijn en de gevangenisstraf betreft en wijzigt deze conform de wettelijke normen. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de gijzelingstermijn tot 360 dagen en de gevangenisstraf tot zeven maanden en drie weken.