Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
9 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake verkrachting van een vrouw in de woning die door verdachte werd gehuurd. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over het bewijsminimum en de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoudelijke beoordeling van het bewijs niet tot vernietiging konden leiden en dat motivering niet noodzakelijk was vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat inzond, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro opleverde.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verminderde de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden naar veertien maanden en twee weken. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 9 juli 2024.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot veertien maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.