ECLI:NL:HR:2024:1026

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
23/03257
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak beroepsaansprakelijkheid letselschadeadvocaat

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 mei 2023, waarin een geschil over beroepsaansprakelijkheid van een letselschadeadvocaat centraal stond. Tegen de verweerders in cassatie, handelend onder verschillende namen en gevestigd te diverse plaatsen, is verstek verleend. Verweerder 5 heeft een verweerschrift ingediend.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiser over het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de gestelde vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het beroep van eiser verworpen en hem veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 2.135,-- aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. De kosten aan de zijde van de andere verweerders zijn nihil vastgesteld.

Het arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer A.E.B. ter Heide op 5 juli 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/03257
Datum5 juli 2024
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
1. [de maatschap] handelend onder de naam [verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [verweerster 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [verweerster 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
4. [verweerster 4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweersters 1 t/m 4],
niet verschenen,
en
[verweerder 5],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder 5],
advocaat: J.H.M. van Swaaij.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/364677 / HA ZA 20-737 van de rechtbank Oost-Brabant van 10 maart 2021 en 8 juni 2022;
b. het arrest in de zaak 200.314.323/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 mei 2023.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweersters 1 t/m 4] is verstek verleend.
[verweerder 5] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [eiser] en [verweerder 5] toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 5] begroot op € 2.135,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan, en aan de zijde van [verweersters 1 t/m 4] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
5 juli 2024.