Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 juli 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 mei 2023, waarin een geschil over beroepsaansprakelijkheid van een letselschadeadvocaat centraal stond. Tegen de verweerders in cassatie, handelend onder verschillende namen en gevestigd te diverse plaatsen, is verstek verleend. Verweerder 5 heeft een verweerschrift ingediend.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiser over het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de gestelde vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep van eiser verworpen en hem veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 2.135,-- aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. De kosten aan de zijde van de andere verweerders zijn nihil vastgesteld.
Het arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer A.E.B. ter Heide op 5 juli 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.