ECLI:NL:HR:2024:1048

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
5 juli 2024
Zaaknummer
22/02635
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.B OpiumwetArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen cocaïneproductie

De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van het produceren van cocaïne, meermalen gepleegd, in strijd met de Opiumwet. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van een bepaalde duur.

De verdachte stelde in cassatie meerdere klachten in, waaronder over de bewijsvoering en de redelijke termijn van de procedure. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest van het hof, maar alleen ten aanzien van de duur van de straf, met vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijsvoering niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze te motiveren. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, wat een vermindering van de straf met acht maanden rechtvaardigde.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur, en stelde deze vast op zeven maanden en drie weken gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02635
Datum9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juli 2022, nummer 21-001604-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben S.A.H. Vromen en J.S. Nan, beiden advocaat in 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juli 2024.