Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
9 juli 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het gewoonte maken van bezit van een aanzienlijke hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen en video's, in strijd met artikel 240b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Tevens werd een usb-stick aan het verkeer onttrokken op grond van artikel 36b lid 1 sub 3 Sr.
In cassatie stelde de verdachte dat het onderzoek aan zijn laptop onrechtmatig was, omdat de toestemming van de officier van justitie daarvoor onvoldoende grondslag bood, en verzocht tot bewijsuitsluiting van de resultaten van dat onderzoek. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen.
De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het bewijs verkregen uit het laptoponderzoek en handhaaft de veroordeling wegens het bezit van kinderpornografisch materiaal. De onttrekking van de usb-stick blijft eveneens in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens bezit van kinderpornografisch materiaal blijft in stand.