ECLI:NL:HR:2024:1055

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
10 juli 2024
Zaaknummer
22/02749
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 240b SrArt. 36b SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie beroep wegens gewoonte bezit kinderpornografisch materiaal en bewijsuitsluiting laptoponderzoek

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het gewoonte maken van bezit van een aanzienlijke hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen en video's, in strijd met artikel 240b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Tevens werd een usb-stick aan het verkeer onttrokken op grond van artikel 36b lid 1 sub 3 Sr.

In cassatie stelde de verdachte dat het onderzoek aan zijn laptop onrechtmatig was, omdat de toestemming van de officier van justitie daarvoor onvoldoende grondslag bood, en verzocht tot bewijsuitsluiting van de resultaten van dat onderzoek. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen.

De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het bewijs verkregen uit het laptoponderzoek en handhaaft de veroordeling wegens het bezit van kinderpornografisch materiaal. De onttrekking van de usb-stick blijft eveneens in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens bezit van kinderpornografisch materiaal blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02749
Datum9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2022, nummer 21-004789-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juli 2024.