Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
12 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake medeplegen van invoer van cocaïne door uithalers op de Maasvlakte. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. In cassatie werden meerdere klachten ingediend over bewijs en motivering, waaronder de herkomst van de container, het tijdstip van aanwezigheid van de verdachte op het haventerrein en de motivering van het bevel tot gevangenneming.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste drie klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was vanwege het ontbreken van vragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of -ontwikkeling. Wel werd het vierde cassatiemiddel gegrond verklaard: de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van 36 naar 35 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 36 naar 35 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.