Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 juli 2024.
Hoge Raad
Deze uitspraak betreft een cassatie in het belang der wet over de vraag of een gecertificeerde instelling (GI) belanghebbende is in een procedure op grond van artikel 1:253n BW, die ziet op de beëindiging van het gezamenlijk gezag over een kind dat onder toezicht is gesteld.
De feiten betreffen ouders van twee minderjarige kinderen die sinds 2017 onder toezicht zijn gesteld en bij de vader wonen. De vader verzocht de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en hem het gezag toe te wijzen. De rechtbank beëindigde het gezamenlijk gezag en wees het gezag toe aan de vader, waarbij de GI als belanghebbende werd aangemerkt. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, waarbij het hof de GI als informant kwalificeerde en niet als belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigt dat de GI geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro, omdat de zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op haar rechten of verplichtingen. De GI heeft een afgeleid belang en kan wel als informant worden opgeroepen. Het beroep van de Procureur-Generaal wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de gecertificeerde instelling geen belanghebbende is in de procedure tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, maar slechts als informant kan optreden.