ECLI:NL:HR:2024:1081

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2024
Publicatiedatum
15 juli 2024
Zaaknummer
22/03022
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 6 WVW 1994Art. 7.1.b WVW 1994Art. 8.1 WVW 1994Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens onrechtmatige overschrijding redelijke termijn in verkeersovertreding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor eendaadse samenloop van lichamelijk letsel door schuld in het verkeer onder invloed van alcohol en doorrijden na een ongeval. Het hof had een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de straf, met een voorstel tot vermindering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte volstond met een algemene constatering van overschrijding van de redelijke termijn op grond van de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de strafduur betreft en stelde de straf vast op elf maanden en twee weken gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee wordt benadrukt dat bijzondere omstandigheden nodig zijn om een overschrijding van de redelijke termijn zonder nadere motivering te accepteren.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van twaalf maanden naar elf maanden en twee weken wegens onrechtmatige overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03022
Datum12 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2022, nummer 20-001813-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.W.M. Stevens, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat volstaan kan worden met de constatering dat een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft plaatsgevonden.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 32 tot en met 36. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden verminderen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 juli 2024.