Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
27 augustus 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake uitkeringsfraude en meermalen gepleegde valsheid in geschrift. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
In cassatie voerde de verdachte onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk had moeten worden verklaard vanwege strijd met het vertrouwensbeginsel en de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude. Daarnaast werden bewijsklachten ingebracht over ontoelaatbare conclusies in het proces-verbaal en het opzet van de verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was de motivering nader toe te lichten vanwege het toepasselijke artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, maar dat gezien de aard van de opgelegde taakstraf geen aanleiding bestond tot het verbinden van een ander rechtsgevolg.
Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het hofarrest bleef in stand.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; taakstraf van 120 uren, waarvan 40 voorwaardelijk, blijft in stand.