ECLI:NL:HR:2024:1094

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
22/01807
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 EVRMArt. 225.1 SrArt. 225.2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak uitkeringsfraude en valsheid in geschrift

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake uitkeringsfraude en meermalen gepleegde valsheid in geschrift. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

In cassatie voerde de verdachte onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk had moeten worden verklaard vanwege strijd met het vertrouwensbeginsel en de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude. Daarnaast werden bewijsklachten ingebracht over ontoelaatbare conclusies in het proces-verbaal en het opzet van de verdachte.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was de motivering nader toe te lichten vanwege het toepasselijke artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, maar dat gezien de aard van de opgelegde taakstraf geen aanleiding bestond tot het verbinden van een ander rechtsgevolg.

Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het hofarrest bleef in stand.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; taakstraf van 120 uren, waarvan 40 voorwaardelijk, blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01807
Datum27 augustus 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2022, nummer 22-001808-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.T.E. Vis, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 120 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 augustus 2024.