ECLI:NL:HR:2024:120

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
26 januari 2024
Zaaknummer
22/04384
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 248 lid 2 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 359 lid 2 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring seksueel misbruik 12-jarige jongen

In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verklaringen van de aangever, een 12-13-jarige jongen, betrouwbaar waren en of het bewijs voldeed aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro, dat vereist dat een bewezenverklaring niet uitsluitend op één getuige mag berusten.

De verdachte, eigenaar van een hoveniersbedrijf, werd ervan verdacht seksueel misbruik te hebben gemaakt van de minderjarige die werkzaamheden verrichtte bij het bedrijf. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter anders en veroordeelde de verdachte, waarbij het de verklaringen van de aangever als betrouwbaar beschouwde en voldoende steun zag in forensisch bewijs en verklaringen van de verdachte.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het was afgeweken van het standpunt over onbetrouwbaarheid van de aangever en dat het bewijs niet voldeed aan het bewijsminimum. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het hof op begrijpelijke wijze de betrouwbaarheid van de aangever had gemotiveerd en dat het bewijs, waaronder forensische bevindingen en verklaringen van verdachte, voldoende steun bood.

De Hoge Raad concludeerde dat geen sprake was van schending van het bewijsminimum en dat de bewezenverklaring toereikend was gemotiveerd. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor seksueel misbruik blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04384
Datum30 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2022, nummer 21-005106-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 tot en met 10.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, waarbij in het bijzonder wordt aangevoerd dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro op grond waarvan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
3.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 tot en met 26.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 januari 2024.