Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
30 januari 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verklaringen van de aangever, een 12-13-jarige jongen, betrouwbaar waren en of het bewijs voldeed aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro, dat vereist dat een bewezenverklaring niet uitsluitend op één getuige mag berusten.
De verdachte, eigenaar van een hoveniersbedrijf, werd ervan verdacht seksueel misbruik te hebben gemaakt van de minderjarige die werkzaamheden verrichtte bij het bedrijf. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter anders en veroordeelde de verdachte, waarbij het de verklaringen van de aangever als betrouwbaar beschouwde en voldoende steun zag in forensisch bewijs en verklaringen van de verdachte.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het was afgeweken van het standpunt over onbetrouwbaarheid van de aangever en dat het bewijs niet voldeed aan het bewijsminimum. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het hof op begrijpelijke wijze de betrouwbaarheid van de aangever had gemotiveerd en dat het bewijs, waaronder forensische bevindingen en verklaringen van verdachte, voldoende steun bood.
De Hoge Raad concludeerde dat geen sprake was van schending van het bewijsminimum en dat de bewezenverklaring toereikend was gemotiveerd. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor seksueel misbruik blijft in stand.