Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
24 september 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam over medeplegen van poging tot diefstal met geweld in een telecomwinkel. De verdediging stelde cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over het niet voldoende motiveren van het hof bij het afwijken van het door verdachte aangevoerde alternatieve scenario.
De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat het niet nodig is deze nader te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Wel wordt geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar na het cassatieberoep is gedaan.
Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden naar 21 maanden. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest uitsluitend voor de strafmaat en verwerpt het beroep voor het overige. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 24 september 2024.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 22 naar 21 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.