Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
8 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die betrokken was bij productie en handel in valse bankbiljetten.
De betrokkene stelde dat het hof in strijd had gehandeld met artikel 6 EVRM Pro en de beginselen van een goede procesorde door een nieuwe berekeningswijze toe te passen waarop de verdediging niet was voorbereid. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, en tot vermindering daarvan.
De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake was van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing en dat het hof niet in strijd had gehandeld met de procesorde of het EVRM. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de betalingsverplichting moest worden verminderd van €341.457,29 naar €336.455.
Het beroep werd voor het overige verworpen en de Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 8 oktober 2024.
Uitkomst: Betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd tot €336.455 wegens termijnoverschrijding.