Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
8 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) ten laste van betrokkene, die betrokken was bij productie en handel in valse bankbiljetten.
Het hof had aan een medebetrokkene een bedrag van € 6.820 aan w.v.v. toegerekend en op basis daarvan het aan betrokkene toegerekende deel van het totaal w.v.v. vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat uit het proces-verbaal van verhoor van de medebetrokkene niet blijkt dat deze dat bedrag daadwerkelijk heeft genoten, waardoor het hof het aan betrokkene toegerekende voordeel te hoog heeft geschat.
De Hoge Raad vernietigt daarom het oordeel over de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vermindert het bedrag van € 65.726,52 met € 2.379,15 tot € 63.347,37. Het te betalen bedrag wordt dienovereenkomstig verminderd. De overige klachten worden verworpen.
De redelijke termijn voor de cassatiefase is overschreden, maar dit leidt niet tot een ander rechtsgevolg in deze zaak. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 8 oktober 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot € 63.347,37 en wijst de zaak terug naar het hof.