ECLI:NL:HR:2024:1226

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
22/01897
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering van het bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel bij profijtontneming uit valse bankbiljetten

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) ten laste van betrokkene, die betrokken was bij productie en handel in valse bankbiljetten.

Het hof had aan een medebetrokkene een bedrag van € 6.820 aan w.v.v. toegerekend en op basis daarvan het aan betrokkene toegerekende deel van het totaal w.v.v. vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat uit het proces-verbaal van verhoor van de medebetrokkene niet blijkt dat deze dat bedrag daadwerkelijk heeft genoten, waardoor het hof het aan betrokkene toegerekende voordeel te hoog heeft geschat.

De Hoge Raad vernietigt daarom het oordeel over de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vermindert het bedrag van € 65.726,52 met € 2.379,15 tot € 63.347,37. Het te betalen bedrag wordt dienovereenkomstig verminderd. De overige klachten worden verworpen.

De redelijke termijn voor de cassatiefase is overschreden, maar dit leidt niet tot een ander rechtsgevolg in deze zaak. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.

De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 8 oktober 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot € 63.347,37 en wijst de zaak terug naar het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01897 P
Datum8 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, nummer 21-003443-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat aan de medebetrokkene [medeverdachte] een bedrag van (slechts) € 6.820 van het in totaal door alle daders wederrechtelijk verkregen voordeel is toegerekend, als gevolg waarvan het hof het aan de betrokkene toegerekende deel van dat totaal wederrechtelijk verkregen voordeel op een te hoog bedrag heeft geschat.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5, 19, 20 en de eerste twee zinnen van 21. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door – overeenkomstig wat in de schriftuur onder 17 naar voren wordt gebracht – het te betalen bedrag te verminderen met (€ 65.726,52 minus € 63.347,37 is) € 2.379,15.

3.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 22/01896, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting;
- vermindert het bedrag van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in die zin dat de hoogte daarvan € 63.347,37 bedraagt;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 63.347,37 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 oktober 2024.