Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
15 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal en diefstal met valse sleutels. In eerste aanleg was verdachte vrijgesproken. Het hof verwierp het verweer dat de persoon op de pinautomaatbeelden niet verdachte was, onderbouwd met verschillen in kleding en uiterlijk, en achtte de gelijkenis voldoende bewezen.
Het cassatiemiddel stelde dat het hof niet voldoende had gemotiveerd waarom het afweek van het uitdrukkelijk onderbouwde verweer over de bewijsvoering. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie leidt, mede gelet op de uitgebreide motivering in het aanvullend proces-verbaal.
De Hoge Raad stelde echter vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden. Dit leidde tot ambtshalve vermindering van de opgelegde taakstraf van 150 uren naar 143 uren, en de vervangende hechtenis van 75 dagen naar 71 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de inhoudelijke veroordeling in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf van 150 naar 143 uren en de vervangende hechtenis van 75 naar 71 dagen wegens termijnoverschrijding.