Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld en van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
3.Beslissing
5 november 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond een verdachte terecht voor verkrachting van een vrouw in haar woning, zoals omschreven in artikel 242 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, militaire kamer, had de verdachte veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de verdachte en dat van de benadeelde partij beoordeeld. De klachten richtten zich onder meer op het bewijsminimum, waarbij de vraag speelde of de verklaring van de aangeefster voldoende werd ondersteund door ander bewijs, en op de beoordeling van een vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van studievertragingkosten.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof zijn oordeel begrijpelijk en toereikend had gemotiveerd. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de uitspraak nader te motiveren, mede omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Buruma en Kuijer op 5 november 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van de verdachte.