ECLI:NL:HR:2024:1264

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
19 september 2024
Zaaknummer
23/01698
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Sr (oud)Art. 342 lid 2 SvArt. 361 lid 3 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in militaire verkrachtingszaak wegens onvoldoende gronden

In deze zaak stond een verdachte terecht voor verkrachting van een vrouw in haar woning, zoals omschreven in artikel 242 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, militaire kamer, had de verdachte veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de verdachte en dat van de benadeelde partij beoordeeld. De klachten richtten zich onder meer op het bewijsminimum, waarbij de vraag speelde of de verklaring van de aangeefster voldoende werd ondersteund door ander bewijs, en op de beoordeling van een vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van studievertragingkosten.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof zijn oordeel begrijpelijk en toereikend had gemotiveerd. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de uitspraak nader te motiveren, mede omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Buruma en Kuijer op 5 november 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van de verdachte.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01698 M
Datum5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, militaire kamer, van 20 april 2023, nummer 21-003390-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft C.J. Nierop, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2.
Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld en van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 november 2024.