ECLI:NL:HR:2024:1300

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
26 september 2024
Zaaknummer
22/03885
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 AWRArt. 321 SrArt. 301.4 SvArt. 439 lid 5 SvArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie in zaak opdracht geven tot belastingfraude en medeplegen verduistering

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2022. De verdachte werd verdacht van het meermalen plegen van opdracht geven tot belastingfraude door een rechtspersoon en medeplegen van verduistering van een bedrag van ruim €1,1 miljoen.

In cassatie werden verschillende klachten ingebracht, waaronder over de mededeling van de korte inhoud van stukken op de terechtzitting, bewijsklachten omtrent belastingfraude en verduistering, en de vraag of een opeisbare vordering als goed aan te merken is in de zin van verduistering. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest.

De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep is derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03885
Datum1 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2022, nummer 22-001071-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K. Canatan, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. De Hoge Raad slaat op dit stuk geen acht, omdat op grond van artikel 439 lid 5 van Pro het Wetboek van Strafvordering alleen een advocaat mag reageren op de conclusie.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 oktober 2024.