ECLI:NL:HR:2024:1301

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
26 september 2024
Zaaknummer
24/01100
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 219 GemeentewetArt. 223 GemeentewetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid forensenbelastingheffing op basis van WOZ-waarde woning

Belanghebbenden zijn eigenaar van een woning die niet hun hoofdverblijf is en kregen voor het jaar 2021 een aanslag forensenbelasting opgelegd door de gemeente Ommen, gebaseerd op de WOZ-waarde van die woning. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de WOZ-waarde een toegestane heffingsmaatstaf is en dat de forensenbelasting niet afhankelijk is van het vermogen zoals bedoeld in artikel 219 van Pro de Gemeentewet.

Belanghebbenden stelden in cassatie meerdere klachten tegen dit oordeel, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten. Daarbij verwees de Hoge Raad naar een eerder arrest van 13 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1178) waarin de rechtmatigheid van de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf werd bevestigd.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om de uitspraak van het Hof te vernietigen en hoefde geen nadere motivering te geven voor de overige klachten, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Ook werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het beroep in cassatie werd daarmee ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag forensenbelasting op basis van de WOZ-waarde blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01100
Datum27 september 2024
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] (hierna: belanghebbenden)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE OMMEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 februari 2024, nr. BK-ARN 23/1166 [1] , op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nr. ZWO 22/745) betreffende de aan belanghebbenden voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Ommen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Aangezien dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Aan belanghebbenden is voor het jaar 2021 een aanslag in de forensenbelasting opgelegd ter zake van een woning waarvan zij eigenaar zijn en die niet hun hoofdverblijf is. De belasting is geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen (de WOZ-waarde) die geldt voor de woning voor het desbetreffende belastingjaar.
2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de WOZ-waarde geen verboden maatstaf van heffing is voor de forensenbelasting. Dat de heffing van de forensenbelasting direct afhankelijk is van de WOZ-waarde van een vermogensbestanddeel, te weten een woning, maakt die heffing niet afhankelijk van het in artikel 219 van Pro de Gemeentewet bedoelde vermogen, aldus het Hof.

3.Beoordeling van de klachten

3.1
Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof, falen zij op de gronden die zijn vermeld in het op 13 september 2024 uitgesproken arrest van de Hoge Raad met nummer 23/00801, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.3.
3.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.