Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
1 oktober 2024.
Hoge Raad
De betrokkene kreeg op 11 juni 2020 een strafbeschikking opgelegd met een geldboete van €1.800. Tegen deze strafbeschikking stelde hij verzet in, waarna de economische politierechter de strafbeschikking vernietigde en een gelijke geldboete oplegde. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld, dat nog niet is behandeld.
Ondanks het verzet tegen de strafbeschikking werd een dwangbevel uitgevaardigd vanwege het uitblijven van betaling. De betrokkene kwam in verzet tegen de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel, maar de rechtbank verklaarde dit verzet ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de strafbeschikking onherroepelijk was vanwege de vervangende veroordeling door de politierechter.
De Hoge Raad oordeelt anders: op grond van artikel 6:1:17 lid 2 Sv Pro wordt de tenuitvoerlegging van een strafbeschikking geschorst zolang niet onherroepelijk op het verzet is beslist. Omdat het hoger beroep nog loopt, is de strafbeschikking niet onherroepelijk en kan het dwangbevel niet worden uitgevoerd. De Hoge Raad vernietigt daarom de beslissing van de rechtbank en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug wegens het ontbreken van onherroepelijkheid van de strafbeschikking.