Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
22 oktober 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond een 36-jarige verdachte terecht voor ontucht met een 14-jarig meisje, gepleegd in strijd met artikel 245 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte eerder veroordeeld. In cassatie voerde de verdachte diverse klachten aan, waaronder niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie vanwege vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, bewijsuitsluiting en een betwisting van de leeftijd van het slachtoffer.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot uitgebreide motivering omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Wel erkende de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. Gezien de beperkte mate van overschrijding verbond de Hoge Raad hieraan geen rechtsgevolgen. De strafmaat werd door de advocaat-generaal als te hoog beschouwd, maar de Hoge Raad beperkte zich tot het verwerpen van het beroep.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Caminada en Posthumus op 22 oktober 2024, waarbij de waarnemend griffier Schnetz aanwezig was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor ontucht met een minderjarige, ondanks een beperkte overschrijding van de redelijke termijn.