Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
22 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon met de Turkse nationaliteit aan Turkije, waar hij wordt verdacht van medeplegen van moord op zijn werkgever en diens chauffeur. De opgeëiste persoon stelde zich op het standpunt dat uitlevering ontoelaatbaar is vanwege een dreigende flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro, mede vanwege zijn aanhangerschap van de Gülenbeweging.
Daarnaast verzocht de opgeëiste persoon om aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek om inzage te verkrijgen in zijn telefoon, hetgeen door de Hoge Raad niet is toegewezen. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten van de opgeëiste persoon beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Den Haag. De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet uitvoerig omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, en werd op 22 oktober 2024 uitgesproken. Het beroep is verworpen en de uitlevering kan worden voortgezet.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitlevering aan Turkije wegens medeplegen moord.